Hoe ontleed ik een zin?
                http://www.jddevries.nl
Een overzicht van regels
 
 
1. Wat is de persoonsvorm?
 
De persoonsvorm verandert als je de zin in een andere tijd zet.
 
 
2. Uit welke zinsdelen bestaat de zin?
 
Zinsdelen zijn de bouwstenen van een zin. Het is een woord of het zijn een aantal
woorden die bijelkaar horen. Je kunt zinsdelen onderling verschuiven.
 
Hoe kun je ze vinden? De persoonsvorm is altijd het tweede zinsdeel in een 'gewone'
zin (dus niet in een vraagzin of een gebiedende zin). Alles wat voor de persoonsvorm
staat, is dus ook één zinsdeel. Je schuift dat zinsdeel naar achteren en je probeert een
ander stuk zin op die plek in te vullen. Dat stuk zin moet dan ook een zinsdeel zijn.
 
3. Wat is het gezegde?
 
Vragen:
a. Wat zijn, naast de persoonsvorm, de andere werkwoorden in de zin?
 
b. Wat is het belangrijkste werkwoord in de zin?
Als er alleen een persoonsvorm in de zin staat, dan is dat het belangrijkste
werkwoord. Zijn er meer werkwoorden, dan moet je het werkwoord zoeken met de
meeste betekenis. Dat werkwoord kun je niet weglaten zonder dat de
betekenis van de zin verandert.
 
c. Is het belangrijkste werkwoord in de zin een koppelwerkwoord?
De belangrijkste koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden en blijven.
Verder zijn er nog: blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen.
Dat zijn ook koppelwerkwoorden. Je kunt er 'te zijn' achter denken.
Nee, dan ...
 
Werkwoordelijk gezegde =
Persoonsvorm + evt. andere
werkwoorden in de zin
 
Wat is het onderwerp?
(vraag: wie / wat + gezegde?)
 
Staat er evt. een lijdend
voorwerp in de zin?
(vraag: wie / wat + gezegde +
onderwerp?)
 
Staat er evt. een meewerkend
voorwerp in de zin?
(vraag: Aan wie / wat + gezegde
+ onderwerp? Je kunt 'aan'
toevoegen of weglaten in de zin.)
 
Ja, dan ...
 
Naamwoordelijk gezegde
 
Wat is het onderwerp?
(vraag: wie / wat + gezegde?)
Wat wordt er over het onderwerp
gezegd? = naamwoordelijk deel
 
Naamwoordelijk gezegde =
persoonsvorm + naamwoordelijk
deel + evt. andere werkwoorden

 

 

 

 

4. Bijwoordelijke bepaling(en):
Dat zijn de zinsdelen die overblijven. Ook opvulwoordjes (bijv. 'niet.') Vragen: Waar?
(geeft plaats aan) Wanneer? (geeft tijd aan) Hoe? ... enz.